Erik Veldkamp Een jaar of 8 moet hij geweest zijn, toen Erik met zijn ouders ging kamperen. Iedere dag klonken de heldere klanken van een trompet over de camping. Er was daar een jongetje, in zijn vakantie, iedere dag aan het oefenen. En het klonk mooi, heel mooi, dat wilde Erik ook! Dus ging hij op de Bussumse fanfare en leerde daar de trompet te bespelen, muzieknoten te lezen en naar anderen te luisteren (samenspelen heet dat). Geweldig! Maar kleine jongetjes worden groot en hij vond het niet leuk meer om in een apen-pakkie over straat te lopen en marsmuziek te spelen. Alles moest anders! Erik verruilde de trompet voor een saxofoon (nog wel geleend van de fanfare) en ging pop muziek spelen op de Haagse muziekschool. En blues. Hier leerde hij im-pro-vi-seren: zomaar spelen wat er in je opkomt, zonder van muziekschrift te lezen. Dat was pas muziek maken! Iedere week waren er jam sessie in het bruine café de Pater en hij mocht zelfs een keer in het Paard spelen. Erik verhuisde naar Utrecht, maar vergat niet zijn (inmiddels zelf gekochte) saxofoon mee te nemen. Die kwam goed van pas toen hij zich in de Vrije Vloer aanmeldde voor de blazerssectie van het popbandje the Rookies. Daar kwam hij de fijn zingende zangers Cato Willemsen tegen. (Daar is hij later mee getrouwd en heeft hij nu twee zoontjes mee). In het Utrechtse SJU-huis ontdekte hij de Jazz en hij stortte zich van de ene workshop in de andere. Zo leerde hij veel muzikanten kennen die graag samenspeelden. Met de contrabassist Tobias Reijngoud speelde hij regelmatig, gewoon op straat, of in Hoog Catharijne. Samen met Cato vormden ze het Even Trio. Niet dat drie even is, maar het duurde niet zo lang, vandaar. Uiteindelijk traden ze maar één keer op, in Amsterdam, maar dat was dan ook wel meteen een legendarisch hoogtepunt. Ook ontstond er een dertienkoppige jazz formatie. Onder de naam “Alle Dertien Goed Bedoeld” kwam het echter nooit tot een optreden, maar toen Erik met 3 bandleden de dwarsfluitiste opzocht in het Belgische Gent, kwam het spontaan tot een daverend optreden in één van de vele kroegen daar. Met weer een andre groep muziekanten reisde Erik 2 weken door het zuiden van Frankrijk. Onder de naam “Orquestra la Calla” liepen ze het ene na het andere muziekfestival af en verdienden zo (lang niet genoeg) geld om diesel voor de bus te kopen en weer verder te trekken. Maar het langste leven was “Goin' Down Slow” beschoren (wat wil je ook met zo'n naam). Weer met Tobias Reijngoud op contrabas, maar nu ook met een drummer, een gitarist en zelfs een zanger werd blues en pop op een jazzy manier vertolkt. Favoriet om te coveren waren de nummers van Tom Waits (Goin' Down Slow is ook een nummer van Tom Waits), maar er werden ook gewoon jazz standards gespeeld. In een periode van vijf jaar werd regelmatig opgetreden totdat dit initiatief toch inderdaad langzaam “down” ging. Daarna wilde het een tijdje muzikaal niet meer vlotten voor Erik. Er ontstonden geen leuke bandjes meer, hij studeerde stug door maar: alle jazz-akkoorden stegen hem naar de bol, die raakte overvol en Erik verloor zijn plezier in de muziek. Nu is Erik oud. En wijs. Maar nog niet grijs. Hij heeft de muziek uit zijn jeugd weer ontdekt. Onder het moto: hoe simpeler hoe mooier, heeft hij ook zijn plezier in het spelen hervonden. Zijn klank is warmer geworden, zijn solo's melodischer en vrijer. Toch verloochend hij zijn verleden niet: uit zijn sax lijk zelfs het simpelste kinderliedje wel Jazz. En sinds kort speelt hij Jazz standards alsof het kinderliedjes zijn. En: met groot plezier. Komt dat horen!
|